Annette RoetersDoorstroom en aansluiting in het onderwijs

Graag ben ik ingegaan op de uitnodiging om op deze Onderwijsconferentie een en ander te zeggen over overgangen in het onderwijs. Overgangen: cruciaal voor de schoolloopbanen en daarmee voor het arbeidsmarktperspectief van de leerlingen.
Natuurlijk heb ik zelf ook met overgangen in het onderwijs te maken gehad. Wat me vooral bijstaat is de cultuurshock toen ik als jong meisje van het Groningse platteland naar de school in de stad ging. Dat gaat dus vooral over gevoel, en minder over wat ik maar even techniek noem: hebben we de overgangen op orde, doen scholen wat ze moeten doen, is er sprake van gelijkheid van kansen? Mijn verhaal gaat wat meer over die “techniek”. Ik ben daarom ook heel benieuwd naar het verhaal van mevrouw Carrière  die het meer over de gevoelskant zal hebben.

Het probleem van niemand
“Het probleem is eigenlijk van niemand”. Dat zei de Onderwijsraad in 2005, in haar rapport over de overgangen in het onderwijs. Te veel leerlingen die uitvallen en te weinig doorstroming naar hogere opleidingen. De raad pleitte voor verbetering van de onderwijsprogramma’s en voor een betere begeleiding van leerlingen bij overgangsmomenten. Leerlingen moesten zelf ook een ‘tandje bijzetten’.
De woorden van de Onderwijsraad – overgangen als het probleem van niemand – worden in de aankondiging van deze conferentie nog eens gebruikt. De vraag daarbij is of deze woorden nog onverkort van toepassing zijn. Anders gezegd: hoe staat het er anno 2012 voor met het opleidingsniveau, de overgangen en de uitval? Vanuit het perspectief van de inspectie wil ik daar een paar dingen over zeggen.

Positieve ontwikkelingen
Nederland is steeds hoger opgeleid. Steeds meer jongeren gaan naar hogere vormen van onderwijs. Deze trend is al decennialang gaande. Niet alleen in Nederland, ook in de landen om ons heen. Vooral het hoger onderwijs groeit. Een paar getallen:

  • Het hbo groeide in de periode 2006-2010 met meer dan 50.000 studenten naar ruim 416.000 studenten.
  • Het wetenschappelijk onderwijs groeide in dezelfde periode met 33.000 studenten naar ruim 240.000 studenten.

Ook andere positieve ontwikkelingen zijn te noemen:

  • Het percentage jongeren met een hoger onderwijsdiploma is ook in internationaal perspectief hoog.
  • De prestaties in het basisonderwijs stijgen licht. Dit komt vooral doordat allochtone leerlingen hun achterstanden inlopen.
  • Het deel van de leerlingen dat naar havo en vwo gaat, groeit. In 2010 zat 44 procent van de leerlingen in het derde leerjaar in havo of vwo. Vier jaar eerder was dit nog 41,6 procent.
  • Waar het percentage havo- en vwo-leerlingen stijgt, is tegelijkertijd in het vmbo sprake van krimp. Die krimp zien we ook in de opleidingen op niveau 1 en 2 in het mbo.
  • De doorstroom neemt toe van vmbo-t naar havo, van mbo naar hbo en van hbo naar wetenschappelijk onderwijs.
  • Het aantal voortijdig schoolverlaters is in de afgelopen jaren fors afgenomen.

Kanttekeningen
Als je dit alles zo overziet, is het beeld positief: het opleidingsniveau stijgt. Ik wil daar wel meteen een paar kanttekeningen bij plaatsen:

  • Nederland heeft in internationaal perspectief altijd al veel zittenblijvers. En de laatste jaren steeds meer.
  • De slaagpercentages in het VO staan onder druk. In 2011 was er opnieuw sprake van een lichte daling, een daling die gestart is in 2008. Toen slaagde nog 93,5 procent van de leerlingen. In 2011 was dit percentage gezakt naar 90,5.
  • Minder leerlingen halen hoge cijfers.
  • En ook is er de vraag of er sprake is van gelijkheid van kansen, als het gaat om het realiseren van een passende schoolloopbaan.

Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de sinds 2010 geldende referentieniveaus voor taal en rekenen eraan bijdragen dat de programma’s van de verschillende schooltypen beter op elkaar aansluiten. Met behulp van de referentieniveaus kan het niveau van de individuele leerling worden vastgesteld, en kan worden bepaald of er extra hulp nodig is. De referentieniveaus zijn concrete handvatten om het aanbod zo goed mogelijk af te stemmen op de individuele leerling. Ondersteunend dus aan het opbrengstgericht werken. Het is momenteel nog te vroeg om het effect van het gebruik van de referentieniveaus te kunnen bepalen.

Verschillende overgangen
Ik wil op een aantal specifieke overgangssituaties ingaan, zonder uitputtend te willen zijn. Ik geef een aantal voorbeelden, beginnend bij de jongste “leerlingen”.

VVE-PO: Uit onze bestandsopname van voor- en vroegschoolse educatie (ook wel VVE) komt als een van de grootste knelpunten naar voren het ontbreken van een objectieve beoordeling van wat kinderen hebben opgestoken en of ze voldoende zijn toegerust voor groep 3 van de basisschool. Er is dus nog nauwelijks sprake van een doorgaande lijn in de overgang VVE-PO.

PO-VO: Ik gaf al aan dat een groter deel van de leerlingen naar havo en vwo gaat. Dit heeft verschillende oorzaken, waaronder het feit dat basisscholen hogere adviezen geven. Deze zijn deels te verklaren door de betere resultaten in het basisonderwijs, met name doordat de allochtone leerlingen hun achterstand inlopen. Maar dat kan het niet helemaal verklaren. Mogelijk speelt ook de ‘opwaartse druk’ door ouders een rol. Ik zeg ‘mogelijk’, want we hebben hier geen betrouwbare gegevens over.
Ook heeft de inspectie onderzoek gedaan naar de overgang van PO naar VO voor zorgleerlingen, die extra ondersteuning nodig hebben om hun schoolloopbaan met succes te kunnen doorlopen. Het betrof een pilotstudie in Amsterdam. De overgang bleek op een aantal onderdelen voor verbetering vatbaar. Allereerst bleken de onderwijskundige rapporten vaak weinig specifieke informatie te bevatten over de zorgvraag van de leerlingen. Daardoor werd op de VO-school de zorg lang niet altijd afgestemd op de zorg op de basisschool. Van een doorgaande zorglijn is dus lang niet altijd sprake. Verder constateerden we een paar belemmerende mechanismen bij de overgang:

  • Toeleverende scholen hebben meerdere redenen om niet alle relevante informatie aan de ontvangende scholen te verstrekken, onder meer uit angst dat de zorgleerling niet wordt toegelaten.
  • Opvallend is dat de ouders niet altijd een afschrift van het onderwijskundig rapport ontvangen, ondanks de wettelijke verplichting om dit te verstrekken.

Een vergelijkbare problematiek zien we bij de overgang van regulier onderwijs naar interne scholen. Het gaat hier om leerlingen in de JeugdzorgPlus van wie de vrijheid beperkt moet worden, omdat ze soms een gevaar zijn voor zichzelf of voor anderen. Dit onderwijs valt onder de Wet op de expertisecentra en daarbinnen onder cluster 4. Uit onderzoek van het Samenwerkend Toezicht Jeugd blijkt dat zich ook hier problemen voordoen op het punt van overdracht en samenwerking. Zo zijn scholen waar leerlingen vandaan komen verplicht een onderwijskundig rapport op te stellen. Deze rapporten zijn vaak laat of niet beschikbaar, onvolledig of gedateerd.

Mbo-hbo: Het is opvallend dat in 2009/2010 ongeveer 59 procent van de tweede generatie niet-westerse allochtone studenten van mbo-niveau 4 doorstroomde naar het hbo. Dat percentage is hoger dan bij de eerste generatie (46), de westerse allochtonen (39) en de autochtonen (38). Het lijkt erop dat juist deze route voor deze specifieke groep studenten bruikbaar is om een diploma op hbo-niveau te halen. Hoe effectief deze weg is, met andere woorden: wat het rendement is, daar hebben we op dit moment geen gegevens over.

Hbo-arbeidsmarkt: Van de hbo’ers die in 2008/2009 zijn afgestudeerd, vond bijna tachtig procent naar eigen zeggen werk in het vakgebied en op het niveau van afstuderen. We zien daarbij grote verschillen tussen opleidingen. Met name de sectoren gezondheidszorg, techniek en onderwijs steken gunstig af.  
Afgestudeerden zijn wel opvallend kritisch over de kwaliteit van de opleiding en over de mate waarin deze een basis biedt om te starten op de arbeidsmarkt. Wat dit laatste betreft: slechts iets meer dan de helft van de studenten vindt dat de opleiding een goede basis biedt om te starten op de arbeidsmarkt. Dit is een afname ten opzichte van 2009 (van 58 naar 51 procent).

Verschillen tussen groepen in de verschillende overgangen
Er bestaan verschillen tussen bepaalde specifieke groepen in de verschillende overgangen. Er is een verband tussen 1) kenmerken als etniciteit, geslacht, sociaaleconomische status en 2) uitstroom en doorstroom. Een voorbeeld van zo’n verschil is de doorstroom mbo 4 naar hbo. Ik constateerde al dat het erop lijkt dat deze route voor een specifieke groep studenten (tweede generatie niet-westerse allochtonen) bruikbaar is om een diploma op hbo-niveau te halen. Dit kunnen we positief duiden. Ook de kans op uitval (voortijdig schoolverlaten) hangt sterk samen met sociaaleconomische status, etniciteit en geslacht. Onder de voortijdig schoolverlaters zijn bijvoorbeeld nauwelijks Nederlandse meisjes uit hogere milieus. De voortijdig schoolverlaters  zijn in ruime meerderheid van het mannelijk geslacht, waarbij een etnische achtergrond en lagere sociaaleconomische status een groter risico op uitval betekenen.

Onderwerpen die aandacht behoeven
Er is dus volop beweging, het opleidingsniveau stijgt, maar er zijn ook knelpunten. Ik noemde al de slagingspercentages, de aantallen zittenblijvers en de minder hoge cijfers, maar met name differentiatie, niveaubewaking en kansen(on)gelijkheid en aandacht voor zorgleerlingen vragen aandacht.  

Differentiatie: Dat steeds meer leerlingen naar hogere vormen van onderwijs gaan, stelt eisen aan scholen: de diversiteit wordt groter. Dit vraagt om meer differentiatie in het onderwijs. Leraren moeten het onderwijs goed afstemmen op de capaciteiten van de individuele leerlingen en studenten. Het gaat hier om wat wij de complexere vaardigheden van de leraren noemen. Een derde deel van de leraren beheerst deze onvoldoende. Een voorbeeld: in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo en in niveau 1 en 2 van het mbo neemt het aandeel kwetsbare leerlingen toe. Deze leerlingen hebben extra ondersteuning en begeleiding nodig. Niet alle scholen en opleidingen blijken deze te bieden.

Niveaubewaking: Borging van de examens is natuurlijk per definitie van belang. Maar het geldt te meer, nu er meer variatie is in het instroomniveau van leerlingen en studenten. Het moet niet zo zijn dat we de exameneisen aanpassen aan het niveau van minder goed presterende leerlingen en studenten. Borging is ook nodig specifiek wat betreft het niveau van de schoolexamens in het VO. Het lukt een deel van de scholen slecht het verschil in cijfers tussen het schoolexamen en het centraal examen terug te dringen. In het schooljaar 2010/2011 is het verschil opnieuw licht toegenomen. Dit leidt tot ongewenste verschillen in cijfers en slaagkansen voor leerlingen.

Kansen(on)gelijkheid en aandacht voor zorgleerlingen: We zagen al dat zorgleerlingen extra kwetsbaar zijn bij overgangen. Het ontbreekt te vaak aan dossiervorming en aan een goede overdracht. Meer in het algemeen is de vraag op zijn plaats of bepaalde groepen leerlingen – op basis van bijvoorbeeld sekse, etniciteit of sociaaleconomische status – in overgangssituaties minder kansen krijgen dan andere leerlingen. De inspectie doet hier onderzoek naar. Dit onderzoek richt zich op dit moment vooral op de  overgang van PO naar VO. We denken hierover in het volgend jaar verschijnende verslag over de staat van het onderwijs te kunnen publiceren.

Afsluitend
We zien een hoger opleidingsniveau. We horen het stelsel soms ook een beetje piepen en kraken, maar dat is helemaal niet erg: ambitie is prima, laat het maar wat piepen en kraken. Maar dan is het wel nodig dat we tegemoet komen aan de steeds grotere diversiteit en dat we het niveau borgen en bewaken. De inspectie zal dit nauwlettend volgen.
Van belang is ook dat we bepaalde groepen leerlingen en studenten niet onbedoeld op achterstand zetten, bijvoorbeeld op basis van lagere verwachtingen. Alle leerlingen en studenten moeten mee kunnen in de vaart der volkeren. Natuurlijk zijn er verschillen, maar die moeten dan wel uit te leggen zijn.
En specifiek wat de zorgleerlingen betreft: juist voor deze kwetsbare groep is een goede begeleiding, mede gericht op het goed laten verlopen van overgangen, van groot belang.

De inspectie zal onderzoek blijven doen naar de overgangen in het onderwijs. Het zijn immers de overgangen die in belangrijke mate de schoolloopbaan en het arbeidsmarktperspectief bepalen. Onderzoek naar die overgangen en ook naar wat de dynamiek in het stelsel betekent voor de kwaliteit van het onderwijs geeft inzicht in de kwaliteit en met name ook de tekortkomingen van het stelsel. Inzicht draagt bij aan verbetering. Waar het om gaat is dat we de ambitie die er is koesteren en dat we ervoor zorgen dat iedereen mee kan.