Raphaela CarriereGevoel van veiligheid tijdens overgangen in het onderwijs

Tijdens mijn promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen heb ik gekeken naar schooltransities van jonge kinderen (R.M. Carrière, The Transition To Early Education; A dynamic theoretical framework, Nijmegen: Wolf Publishers 2009). In mijn onderzoek heb ik een model ontwikkeld om transitie in kaart brengen, waarbij ik rekening heb getracht te houden met zoveel mogelijk relevante factoren. Het betreft hier overigens een model dat, met enkele accentverschuivingen, ook toepasbaar is op transities die niet met onderwijsovergangen te maken hebben. Binnen de setting van deze Onderwijsconferentie zal ik mij, gezien de tijd, beperken tot de hoofdpunten van dit model over (school)transities.

Waarom is het belangrijk om aandacht te besteden aan overgangen in het onderwijs? Uit onderzoek komt naar voren dat de overgang naar school kan worden beschouwd als een tijd van verhoogde stress voor kinderen en hun families (zie onder andere Stormont et al., 2005; Rimm-Kaufman & Pianta, 2000; Pianta et al., 1999; Pianta & Cox, 1999; Sears & Milburn 1990). Vele onderzoeken laten zien dat kinderen dan kwetsbaar zijn.
Dan volgt de vraag: wat is een overgang en hoe kunnen wij een overgang werkbaar definiëren? Een overgang is een periode waarin een discontinue verandering zich voordoet. Omdat deze veranderingen niet altijd zichtbaar zijn, kan men ook rekenen met indicatoren van (aanstaande) discontinuiteit om de parameters van een overgangsperiode vast te leggen. Het einde van een overgang wordt dan gekenmerkt door de afwezigheid van zulke indicatoren en laat een beeld van stabiliteit en toenemende orde zien.

Hoe zien overgangen in het onderwijs er uit voor kinderen en hoe beleven ze die?

Overgang naar primair onderwijs
De overgang van een voorschoolse situatie, zoals een peuterspeelzaal (of crèche) naar het primair onderwijs laat een aantal duidelijke verschillen zien. Enkele hiervan zijn bijvoorbeeld een verschil in dagindeling en structuur, vanzelfsprekend een ander gebouw of lokaal, maar ook hoe de klas is ingericht en hoe het leren is ingericht (spelenderwijs tegenover lessen volgen). Het belangrijkste verschil hierbij is misschien wel een verschuiving van een zorgoriëntatie naar een oriëntatie op zelfstandigheid.
Vanwege een nog beperkt referentiekader en de weinige ervaring, hebben jonge kinderen (nog) weinig voorstellingsvermogen om nieuwe situaties in te schatten. Hierbij speelt het beperkte cognitieve vermogen van jonge kinderen ook een rol. Wel weten of voelen zij dat het anders gaat worden en dat is spannend. Dit roept bij kinderen veel onzekerheid op.  

Overgang naar voortgezet onderwijs    
Bij de overgang van primair naar voortgezet onderwijs zien we opnieuw veranderingen. Bijvoorbeeld dat de reisafstand tussen huis en school doorgaans toeneemt, de dagindeling en schoolstructuur verandert, er nieuwe vakken bijkomen, ouders minder betrokken worden, de verwachtingen van ouders en leerkrachten wijzigen, de sociale netwerken veranderen en tenslotte ook dat er fysiologische en hormonale veranderingen plaatsvinden bij de kinderen.     
De kinderen die deze overgang betreft (oudere kinderen) hebben cognitief al meer mogelijkheden om de overgang voorspelbaarder te maken. Maar doordat ze meer ervaring hebben, kan dit ook beïnvloeden hoe zij bijvoorbeeld de overgang ingaan. Zo hebben ze al ervaring met overgangen binnen een schoolsituatie, bijvoorbeeld van groep 1 naar groep 2, van 2 naar 3, van 3 naar 4, van 4 naar 5, enzovoort. Als dit echter overwegend negatieve ervaringen waren zullen zij de volgende overgang mogelijk negatiever ingaan. Wel zullen zij daarbij een uitgebreider gedragsrepertoire hebben dan jongere kinderen om met de situatie om te gaan, al kan dat ook weer beperkend werken.
Al zijn de settings heel anders en zijn ook de inhoudelijke zorgen voor kinderen van verschillende leeftijden weer anders, het effect op het gevoel is dat niet. De overgangsperiode brengt een verhoogd gevoel van onzekerheid met zich mee. Dat kunnen wij doortrekken naar de overgang naar de beroepsopleiding of universiteit of zelfs naar nieuwe banen.
Het betreft hier dus een model dat gaat over overgangen. Jongere kinderen zijn beperkter in hun ervaring en cognitieve vermogen, waardoor zij misschien een veel meer ervaringsgerichte ondersteuning kunnen gebruiken (bijvoorbeeld door de veiligheid van ouders te koppelen aan een nieuwe situatie). Overgangen later in het onderwijs gaan ook gepaard met specifieke issues, maar het resultaat op individueel niveau blijft hetzelfde. Overgangen leveren een gebrek aan voorspelbaarheid op en zijn dus kwetsbare periodes voor kinderen die worden gekarakteriseerd door een instabiel gevoel van veiligheid, en dat is stressvol.

Wat is gevoel van veiligheid?
De vraag is vervolgens wat wij moeten verstaan onder gevoel van veiligheid. Het vrij zijn van stress, of vrij zijn van een bedreiging van de stabiliteit van dat gevoel is belangrijk hierin. Het kan dan gaan om werkelijke bedreigingen, bijvoorbeeld door een pestkop, of om de perceptie daarvan, bijvoorbeeld wanneer je niet goed de drukte kan overzien op de gang of het plein, of wanneer je bang bent voor de donderende stem van een docent. Stress heeft ook een hormonale of fysiologische component; er worden stresshormonen aangemaakt die ook een rol gaan spelen bij de aanpassing aan de nieuwe situatie.
Uiteindelijk wordt het gevoel van veiligheid opgemaakt uit een interactie tussen allerlei factoren. Dat zijn zowel factoren in het kind (zoals temperament en de fysiologie van een kind: denk maar aan een kind op het voortgezet onderwijs dat een klein postuur heeft of een motorisch minder ontwikkeld kind), maar ook het eigen gedrag van een kind dat vervolgens weer reacties uitlokt van anderen, bijvoorbeeld frustratie van een docent dat het schrijven maar niet lukt, of negatieve reacties op een stugge houding.
Ook factoren tussen het kind en de omgeving spelen een rol, bijvoorbeeld de voorspelbaarheid van hoe de dagen er voor het kind uit zullen zien. Verder spelen hier ook de interactie met de relaties die het kind heeft met verschillende personen of instanties (school, familie en vrienden).

Equilibrium traject
Het gevoel van veiligheid is niet alleen een momentopname maar (ook) een equilibrium traject. Dat laatste wil zeggen een traject in ontwikkelingstijd, waarbij er constant wordt bepaald wat de staat is van het gevoel van veiligheid en waarbij er steeds wordt afgewogen. Uiteindelijk is het systeem dusdanig ingericht dat het neigt naar stabiliteit, dat wil zeggen dat het gevoel zal stabiliseren. Anders gezegd, het gevoel van veiligheid is eerst stabiel en vervolgens begint het te destabiliseren nog voor de daadwerkelijke verstoring van de overgang. Dit komt door het anticiperend vermogen (anticiperen op een verandering waarvan je niet weet hoe het zal uitpakken). Na de werkelijke verandering, bijvoorbeeld de eerste schooldag, zakt ook het niveau van het gevoel van veiligheid, maar dit herstelt zich in de loop van de tijd. Kortom, het wordt weer stabiel.
Stabiel zijn is echter niet hetzelfde als goed in de zin van je helemaal veilig voelen. Je kunt stabiel zijn in je gevoel niet veilig te zijn op school. Afhankelijk van de kwaliteit van de ervaringen zal dit gevoel gelijk blijven of hoger of lager zijn dan voorheen.

De kwetsbaarheid beperkt de kinderen in hun vermogen te presteren
Een overgang is een kwetsbare en onzekere periode voor een kind. De kwetsbaarheid beperkt de kinderen in hun vermogen te presteren. Door die kwetsbaarheid zijn kinderen vatbaarder voor kleine veranderingen. Die kunnen relatief grote gevolgen hebben. Bijvoorbeeld: kleine akkefietjes kunnen er voor zorgen dat kinderen op het voortgezet onderwijs gaan spijbelen.
Dat de overgangsperiode als kwetsbaar kan worden aangemerkt blijkt bijvoorbeeld ook uit een eind november 2012 uitgekomen studie van het CBS. Het rendement van het intensief coachen in het tweede jaar blijkt minder dan in het eerste jaar. Maar dat het rendement er wel degelijk is blijkt, want de uitval werd teruggebracht van zeventien naar tien procent met goede ondersteuning.
Terug naar de oorspronkelijke vraag: waarom is het belangrijk om aandacht te besteden aan overgangen in het onderwijs? Heel kort samengevat heeft dat dus te maken met de kwetsbaarheid van kinderen in die periode.
Nu is het natuurlijk belangrijk om te weten wat we dan moeten doen. Hoe kunnen wij het beste ondersteuning bieden tijdens die overgangen, op welk niveau dan ook? Het is belangrijk om aandacht te hebben voor het geleidelijk maken van overgangen, maar ook aandacht voor de kinderen zelf.

Aandacht voor geleidelijke overgangen
De aandacht voor geleidelijke overgangen is iets dat georganiseerd kan worden op schoolniveau, bijvoorbeeld door goede contacten tussen de scholen van voor en na de overgang. Hierbij kan men best practices inzetten om die overgangen te versoepelen. Deze kunnen helpen met het vergemakkelijken van het maken van een voorstelling van de nieuwe situatie en dat verhoogt enigszins de voorspelbaarheid, hetgeen stressreducerend kan werken voor kinderen.
Belangrijk is dat deze aanpak wel leeftijdsadequaat moeten zijn. Het heeft weinig zin om een kind van vier jaar te zeggen dat het maar vier uurtjes op school zit, omdat een kind van die leeftijd zich waarschijnlijk geen voorstelling kan maken van de tijd, laat staan een correcte inschatting daarvan kan maken. Kinderen die naar het voortgezet onderwijs gaan hebben hun zorgen waarschijnlijk weer op inhoudelijk andere punten. Dit betekent dat zij niet gerustgesteld zullen worden door te leren hoe lang hun schooldag zal zijn. De stress van deze kinderen zal mogelijk eerder te maken hebben met het wegwijs geraken in een groot gebouw en met het omgaan met roosters en agenda’s.

Aandacht voor kinderen
Naast wat scholen organisatorisch inzetten om de overgangen geleidelijk te maken is het onontbeerlijk om aandacht te hebben voor de kinderen zelf. Het zijn immers de kinderen zelf die kwetsbaar zijn. Zij kunnen zomaar uit het veld geslagen worden, door een klein voorval, iets waar ze in minder kwetsbare tijden veel gemakkelijker mee om kunnen gaan.
Die kwetsbaarheid kan grote gevolgen hebben voor hoe ze het op school doen, tot uiting komend in bijvoorbeeld hun gevoel voor veiligheid, schoolprestaties en hun algemene houding ten opzichte van de school. Ouders en school zouden hierbij een vinger aan de pols moeten houden. Dus ze moeten blijven informeren bij de kinderen en niet automatisch ervan uitgaan dat alles wel goed gaat, ook al lijkt dat zo. Het zijn vaak niet zozeer de gebeurtenissen zelf, maar de impact daarvan die hier belangrijk is.
Ouders moeten weten dat hun kinderen voor langere periode (beginnend maanden voor de werkelijke overgang en eindigend vaak maanden daarna) extra ondersteuning nodig hebben. Scholen op hun beurt moeten mensen inzetten om goede (vertrouwens)relaties op te bouwen met de kinderen of jongvolwassenen, bijvoorbeeld via de inzet van mentoren. Uiteindelijk is een goede verstandhouding en goede samenwerking tussen ouders en school hierin onontbeerlijk voor succesvolle overgangen. Temeer omdat ouders het beste weten of kunnen beoordelen wanneer het niet goed gaat met hun kinderen; zij kennen ze immers veel langer dan leerkrachten op een nieuwe school.
Het is belangrijk om het kind niet te vergeten in alle beleidsmatige praktijken die met alle goede intenties worden ingezet. Kinderen zelf hebben dus ook echt extra aandacht nodig.